Camstrahuis te Leeuwarden

Ligging Het huis stond in Leeuwarden, aan de Grote Kerkstraat 18.

Het Camstrahuis in 1603 (kaart van Sems)

Ontstaan Het huidige huis werd in verschillende fases gebouwd tussen 1777 en 1806.
Een van de vier diepe adelshuizen aan de zuidkant van de Grote Kerkstraat met een voorplein terzijde was het, in de 17e eeuw als Camstrahuis bekend staande, huis nummer 18.
Geschiedenis Het erf was tot 1591 eigendom van Adriaen van der Geest, die het van zijn schoonvader had gerfd. In dat jaar werd het aangekocht door Biuck van Cammingha, weduwe van Goffe van Aebinga die we in 1565 nog als eigenaar van het belendende Aebingahuis (nrs. 14 en 16) tegenkomen. Het is dus mogelijk dat het achterste deel van de tuin van 14/16 al vanaf 1591 bij de belending ten oosten hoorde.
Het Camstrahuis vererft tot 1899 aan vele nakomelingen van Goffe en Biuck en hun verwanten. Als eigenaars treden achtereenvolgens de families Van Camstra, Van Haersolte, Van Burmania, Van Beyma en Van Harinxma thoe Slooten op. Alleen het Amelandshuis overtreft het Camstrahuis in continuteit van het familie eigendom.

In 1925 verkoopt J. Komter (bierhandelaar), in 1899 eigenaar geworden, het huis aan de firma Jongbloed, die haar drukkerijbedrijf naar dit pand verhuist, waarvan de florissante ontwikkeling uiteindelijk funest bleek voor de hele buurt tussen Bagijnestraat, Bollemanssteeg en Grote Kerkstraat.

Van het diepgeplaatste huis dat Sems afbeeldt, weten we niet meer dan dat er een voorplein terzijde was gelegen, door een muur van de tuin gescheiden en toegankelijk via een aan de huiszijde gelegen poort, zodat wij aannemen dat de ingang in de westelijke langsgevel lag.
In 1683 laten Tjalling van Camstra en zijn vrouw Foockel van Burmania de tuinmuur slopen en een dwarse vleugel langs de straat over de volle breedte van het erf bouwen, waarin de voorpoort als het ware werd opgenomen. De porttravee verkreeg door het aanbrengen van pilasters, kroonlijst, wapen- en jaartalstenen extra nadruk. Rechts naast de doorgang bevatte de dwarsvleugel een als opkamer uitgevoerde zijkamer ter breedte van twee vensterassen.
Voor de bouw van de dwarsvleugel moest het voorste gedeelte van het oude diepe huis gedeeltelijk worden gesloopt. Of tegelijkertijd ook het achterste deel opnieuw werd opgetrokken, is onbekend. In ieder geval bleef deze helft duidelijk de huiszijde, met een in de diepte ontwikkelde plattegrond, waarvan enkele elementen op hun oude plaats zullen zijn gebleven zoals de drie vensterassen brede zaal aan de straat en de ingang van het huis in de rechtergevel van het (oud?) diepe gedeelte erachter, nu bereikbaar via de overbouwde poort.
Hun schoonzoon Arent van Haersolte (_ 1760) heeft een kleine eeuw later de bezem door het interieur gehaald; de Lodewijk XV-stijl of rococo, modieus tussen 1750 en 1775, spat af van de salon-en-suite links van de entree.

Omstreeks 1800 was het exterieur weer aan de beurt en werd een geheel nieuwe voorgevel opgetrokken -hierop wijzen althans het metselwerk, de vormgeving en detaillering van de dakkajuit en de raamindeling. Dat zal dan gebeurd zijn door kleindochter Fokel Helena van Burmania (_ 1801) of door de huurder toentertijd, Tinco Martinus Lycklama Nijeholt, die overigens zo aardig geweest is om (delen van) de oude zandstenen poort te hergebruiken. De entreepartij kreeg extra accent door haar te plaatsen in een bescheiden risaliet met de dakkajuit ter bekroning, maar zo wordt tegelijk de asymmetrie van de gevel benadrukt.
Hoe het huis er sindsdien lange tijd heeft bijgestaan, laat een foto uit het begin van de 20e eeuw zien (helaas niet beschikbaar). Op die foto zijn rechts van de ingang nog twee souterrain-vensters te zien; die zijn verdwenen (en daarmee de diverse vloerniveaus in de ruimten erachter) bij een verbouwing in 1969/70 en meteen zijn toen de ramen op de begane grond vergroot - een jammerlijke ingreep en een bedenkelijke historische falsificatie in de wetenschap dat het pand toen al op de monumentenlijst stond! Een nog grotere verarming van het aanzicht is het verwijderen geweest van de prachtige smeedijzeren hekwerken, die onmiskenbaar waren vervaardigd in de tweede helft van de achttiende eeuw. Wanneer dit is gebeurd is onduidelijk, maar ze zullen ongetwijfeld hebben moeten wijken voor het toenemende verkeer.

In 1899 werd de poortdoorgang tot hal bestemd, waartoe aan voor- en achterzijde puien werden aangebracht, waarvan de eerste de ingang van het huis verkreeg. In de hal kwam een, thans weer verwijderde, centrale trap en de diepe vleugel aan de oostzijde zal daarbij ingrijpend zijn verbouwd. Na 1925 zijn aan de achterzijde van het huis belangrijke wijzigingen uitgevoerd, waarbij ook de achterste helft van het vroegere voorplein, dat al eerder door aanbouwsels tot een nauwe doorgang was gereduceerd, werd bebouwd en bij de hal getrokken. Daarbij werd ook de pui in de voorpoort vernieuwd.

Wat de ontwikkeling van dit pand zo interessant maakt, is dat hier niet, zoals elders bij dit type huis, het haast onvermijdelijke volbouwen van het voorplein gepaard ging met de verplaatsing van de ingang van het huis naar de rooilijn (straatzijde), maar dat beide ingrepen in twee fasen, met een tussentijd van ruim 200 jaar plaatsvonden. De bouw van de dwarse vleugel in 1683 vertegenwoordigt daarmee een tussenoplossing, die zowel de oude traditie als de nieuwe mode recht deed en zo een belangrijke stap markeerde in de ontwikkeling van het diepe adelshuis met zijerf tot een pand dat zijn monumentaliteit aan de aanleg in de breedte ontleende. Een dergelijke overgangsfase is typerend voor de verschuiving van de huistypes in de loop van de 17e eeuw en had ook maar een kort leven. Na 1700 werd de hoofdingang tegelijkertijd met het bebouwen van het voorplein naar de rooilijn verplaatst.
Voor Leeuwarden is deze oplossing uniek. Elders kwamen analoge oplossingen wel voor. (Bijvoorbeeld het Maarten van Rossumhuis te Zaltbommel.) De morfologisch vergelijkbare overbouwde poorten, zoals de Gasthuispoort naast het Rolkamahuis, werden weliswaar in de middeleeuwen en later veel toegepast, maar het betrof dan toch vrijwel steeds tot poort bestemde zijkamers of in een, aan de hoofdvleugel ondergeschikte, dwarsvleugel ondergebrachte doorgang.

In het interieur is de achttiende eeuw vooral nog te ervaren in de salon-en-suite links naast de doorgang/hal. In beide ruimten staat een forse schouw in rococotrant, met een gebeeldhouwde marmeren mantel en een gestucte boezem, voorzien van karakteristieke rocailles en sierlijke lijsten in S- en C-vormige curven. In de voorkamer kreeg de boezem bovendien een voorstelling in stuc van vier putti als kleine bacchanten: begeleid door fluitspel en het slaan op een tamboerijn heft een engeltje het glas terwijl een vierde deugniet zojuist een druiventros van de wijnrank heeft geplukt. In de achterkamer heeft de boezem ooit een spiegel of schilderstuk gedragen.
Bewoners - 1591 Adriaen van der Geest
Biuck van Cammingha, weduwe van Goffe van Aebinga
familie Van Camstra
1683 Tjalling van Camstra en zijn vrouw Foockel van Burmania
- 1760 Arent van Haersolte
- 1801 Fokel Helena van Burmania
Tinco Martinus Lycklama Nijeholt (huurder)
familie Van Beyma
familie Van Harinxma thoe Slooten
1899 - 1925 J. Komter
1925 - ca. 1990 Uitgeverij Jongbloed c.v.
Huidige doeleinden Het huis is nu particulier bewoond.
Opengesteld Het huis is niet voor bezichtiging toegankelijk.
Foto's Foto van het huis (2e huis) in 1977 (Fotoburo Monumentenzorg) Foto van het huis na de verbouwing van de voorgevel (1982) Foto van het huis op 30 november 2006
Bronnen Tekst: "Adelshuizen in Leeuwarden" door M.W. Meijer, 1980
"Seeckere voortreflijcke huijsinghen, voornaam wonen in Leeuwarden", 1997
Afb. 1: Archief van J. Leemburg
Foto 1 en 2: Site van Tresoar
Foto 3: Archief van J. Leemburg