Dekema State te Weidum

Ligging De Dekema State stond in Weidum, v/h gemeente Baarderadeel, nu Littenseradiel, in de zuidooostelijke hoek van de Hegedyk en de Dekemawei.

Foto van het terrein waar vroeger de Stins gestaan heeft

Andere benaming Monnikhuys
Ontstaan De oudste vermelding van een Dekemastins dateert uit 1199.
Geschiedenis De ‘stamstins’ van de Dekema’s stond al ver voor 1200 in Baard. De Dekema’s zijn rijk en de kinderen en kleinkinderen zwermen, vaak met behulp van de rijkdom van hun ouders, uit over Friesland. Hier in Weidum treffen we een bekende uit Jellum: Frans Dekema van de Dekemastins onder dat dorp. Frans was een opportunist die inpikte wat hem op gunstige momenten voor de voeten kwam.
Onder Weidum was in 1199 een stins gebouwd door monniken van het klooster Ludingakerk onder Midlum. De bijbehorende boerderij werd zoals gebruikelijk beheerd door conversen. De opbrengsten moesten uiteraard worden afgedragen aan het klooster, maar dat kwam er niet altijd van. De levenswandel van deze conversen was niet altijd wat je ervan zou mogen verwachten. Het bezit aan landerijen van dit "Monnikhuys" was groot en de opbrengsten waren navenant. De heren conversen leefden een bruin leven en hebzucht tierde welig. Een aantal jaren na de bouw van de stins raakten ze slaags met elkaar over het kerkelijk goed. Toen ze daarover een tijdlang aan het bakkeleien geweest waren, zag Frans zijn kans schoon. Hij joeg de hele meute de stins en de boerderij uit en nam zelf de stins en het bestuur over Weidum over.

De tweede Dekema waar we iets van weten, nl. Hette Juws Dekema, vinden we hier ruim 100 jaar later. Hij was een zoon van de Juw Hettes die in 1303 Baard verliet en de wijde wereld in trok. Hette had blijkbaar een aardje naar zijn vaartje, want in 1341 zat hij met het leger van Lodewijk van Beijeren in Oostenrijk. Hij kwam heel en gezond weer thuis, want in 1370 woonde hij op Dekemastins te Baard, maar hij overleed in 1396 te Weidum. Het is niet duidelijk of Hette daar van ouderdom gestorven is of sneuvelde in de strijd tussen Schieringers en Vetkopers, die toen net weer de kop opstak. Gezien zijn leeftijd, hij zal toen toch minstens 75 jaar geweest zijn, kan het de ouderdom geweest zijn, maar gezien zijn krijgshaftige verleden is de tweede mogelijkheid het meest waarschijnlijk.

Toen zijn zoon Sytse Dekema in 1397 met zijn vriend en buurman Gaele Hania in 1397 terugkwam uit Italië, waar ze enkele jaren aan het hof van koning Wenceslaus hadden vertoefd, vonden zij hun stinsen te Weidum uitgebrand en het dorp uitgemoord en leeggeplunderd door de Vetkopers. Verbitterd zwoeren ze wraak over de Vetkopers.
Over en weer werden rake klappen uitgedeeld tot de strijdende groepen elkaar troffen op de Menaldumermieden tussen Marssum en Dronrijp. De beide aanvoerders, Sytse Dekema en Ode Botnia, kwamen tegenover elkaar te staan en vochten net zo lang tot ze er beiden bij neervielen. Meer dood dan levend werden beide kemphanen van het slagveld gedragen. Tenslotte vluchtten de vetkopers, achternagezeten door de Schieringers, onder leiding van Gaele Hania. De Schieringers namen de kans waar en trokken meteen door naar Dokkum, waar ze de stins van de voorname Vetkoper Feije Heemstra platbrandden. Dekema en Botnia werden daarna goede vrienden en in 1399 streden ze zij aan zij tegen de Hollanders. Toen zijn vriend Gaele Hania in 1409 stierf, was Sytse ontroostbaar en kwijnde weg. Een jaar later stierf hij ook en zijn lichaam werd bijgezet in de grafkelder van de Hania’s in de kerk van Weidum. Toen Botnia later met zijn Vetkoperse troepen Westergoo weer plunderde, spaarde hij Weidum uit achting voor zijn bevriende tegenstanders.

Een broer van Sytse was Hette Juws Dekema. Rond 1400 woonde hij te Baard, maar ook onder Weidum had hij al bezittingen. Toen in 1457 zijn zuster Gaets Juws Dekema en haar man Bokke Ages Harinxma de stins met de landerijen aan hem afstonden, had hij het goed voor elkaar en waren de stinsen te Baard en Weidum weer in één hand. Hij heeft niet lang plezier van zijn uitgebreide bezit gehad, want in 1463 sneuvelde hij in een gevecht tegen de vetkopers onder Jirnsum.
In 1480 stierf hier Hette Hettes Dekema, die een vrijleen stichtte onder Weidum, dat het Dekema-leen werd genoemd.

In 1517 was Hette Juws van Dekema grietman van Baarderadeel en eigenaar van Dekema State. Zijn zoon Pieter Hettes van Dekema was niet alleen vader van 16 (!) kinderen, maar ook grietman van Baarderadeel en Raad in het Hof van Friesland. Op 19 september 1545 werd hij door Karel V tot ridder geslagen. Hij was een man die verstand had van waterschapszaken. Een aantal keren wordt zijn naam genoemd in verband met waterstaatkundige projecten. Op 11 april 1560 bracht hij verslag uit over het uitgraven van het Woltmansdiep tussen Wergea en Grou. Een paar maanden later werd hij gecommitteerde voor het maken van een hoofd aan de westkant van de nieuwe haven te Tacozijl. Maar ook bevorderde hij de veenderij. Hij sloot een akkoord met twee rijke Utrechtse geldschieters voor het afgraven van het hoogveen in het gebied waar nu Heerenveen ligt. Dat heeft hem bepaald geen windeieren gelegd. Mr. Pieter van Dekema en zijn vrouw Catharina van Loo zijn begraven in de St. Vituskerk van Oldehove te Leeuwarden. Hun grafzerk is nu ingemetseld in de zuidelijke buitenmuur van de Oldehove en daar voor iedere voorbijganger in zijn volle pracht te bewonderen.

Van de latere Dekema’s is Syds Julius bekend. Op 20 februari 1663 kreeg hij toestemming voor het graven van een vaart van Weidum naar de Zwette.
Daarna ging Dekema State in andere handen over. In 1710 woonde hier Ernst Mockema van Harinxma thoe Slooten, grietman van Baarderadeel. In 1789 stond de state te koop. De eigenaar, grietman en patriot Ernst Frans van Aylva is dan naar Frankrijk gevlucht. Hij kwam samen met de Fransen terug, maar in het voorjaar van 1796 stond het goed opnieuw te koop. Voor 2100 gulden werd Johannes Caspar Schik, de secretaris van Menaldumadeel, de nieuwe eigenaar. In de proclamatie van die verkoop staat een beschrijving die een aardig beeld schetst van de situatie: "Aan den Oostkant van den Hoge Heereweg een groote ingangpoort, waar vandaan Noordwaarts een sufficante Ringmuur strekt tot aan de Weijdumer opvaart. Van de voormelde poort tot aan de Gragt van de huijssteede is een Ruime Plaats of Bassecour, aan welke Zuijdzijde is een welgetimmerd koetshuijs en kamer voor guardeniersgereedschap, leggende aan dien extra schone druivebomen. Aan de Noordzijde van het Bassecour een deftige stallinge voor veertien paarden, zijnde aan de Westkant van dien een kelderkamer, waaronder een groote kelder en aan den Oostkant twee knegts en meijdekamers.

Voorts een groote huijssteede, waarvan de huijsinge is afgebroken en eijndelijk een extra grote hovinge, verzien met de kleurrijkste en uijtgesogste vrugtboomen, soo met latwerk, als met elsen en yperen hagen, en voorzien met twee vijvers, en verscheidene espaljers. Voorts aan den Noordkant een mooije plantagie en singel aan de Weijdumer opvaart, strekkende sig Oostwaarts uijt nae het Weijdumerhout, sooverre tot dit hornleger behoorende, Dekemalaan genaamd. Oppervlakte 12 p.m." (12 pondemaat = ruim 3 hectare).
De state zelf schittert dus door afwezigheid, want die is afgebroken.

Toch werd hier weer een representatieve woning gebouwd, want een paar jaar later werd de state eigendom van de familie Van Beijma, die daar tot 1894 gewoond heeft. De laatste bewoner is Jhr. Egidius Daniël van Beijma, burgemeester van Baarderadeel en vele jaren voorzitter van de Friese Maatschappij van Landbouw. Vanaf de oprichting van deze maatschappij in 1852 zat hij 20 jaar lang in het hoofdbestuur. Maar hij was zelf ook boer en zijn beslag vee kon iedere kritiek doorstaan. Toen er in 1862 te Lemmer een demonstratie werd gegeven met een maaimachine en een hooischudder, was hij de eerste in Friesland die deze machines aanschafte. Hij was niet getrouwd en toen hij in 1894 overleed was er een man heengegaan met een warmvoelend hart. Een stille weldoener die vaak Weidumers en collega-boeren heeft geholpen zonder daar ruchtbaarheid aan te geven. Achter het koor van de Weidumer kerk is hij begraven.
De eerste tijd na het overlijden van de jonker woonde er familie of goede vrienden op de state. De tuinknechten hielden de tuinen rond het huis op orde, maar aan alles was te merken dat de eigenaar er niet meer woonde. De dagen van Dekema State waren geteld. Een nieuwe tijd was op komst waarin geen plaats meer was voor de oude landadel. Het lot van Dekema State werd in 1898 bezegeld door natuurgeweld. Op 2 maart 1898 trok er een windhoos over Weidum, waardoor niet alleen een aantal huizen en boerderijen zware schade opliepen. De tuin van Dekema State werd in één klap verwoest en de gebouwen zwaar beschadigd. De bijl heeft het werk in de tuin afgemaakt, de slopershamer maakte korte metten met de restanten van de gebouwen en met de schep werd de terp afgegraven. Zo werd er een streep gezet onder de 700-jarige historie van Dekema State.
Bewoners ca. 1210 Frans Dekema
ca. 1350 Hette Juws Dekema
1396-1410 Sytse Dekema
1410-1457 Gaets Juws Dekema en haar man Bokke Ages Harinxma
1457-1463 Hette Juws Dekema
1463-1480 Hette Hettes Dekema
rond 1517 Hette Juws van Dekema
Pieter Hettes van Dekema
rond 1663 Syds Julius van Dekema
in 1710 Ernst Mockema van Harinxma thoe Slooten
in 1789 Ernst Frans van Aylva
in 1796 Johannes Caspar Schik
tot 1898 familie Van Beijma
Jhr. Egidius Daniël van Beijma (laatste eigenaar)
Huidige doeleinden Van de State is niets meer terug te vinden. In Weidum is nu een rusthuis te vinden met de naam "Nij Dekema".
Op de plaats van de State ligt tegenwoordig de ijsbaan.
Opengesteld Het rusthuis is niet vrij toegankelijk.
Foto's Foto van de grafzerk van Pieter van Decama en Catharina van Loo
Bronnen Tekst: J. Leemburg
"Baerderadiel, in geakunde" van het Geakundich Wurkferbân fan de Fryske Akademy
Aantekeningen J. Leemburg uit diverse publicaties
Foto 1 en 2: Archief van J. Leemburg