Eeckemastins te Baaium

Ligging Deze Stins stond in Baaium, gemeente Waadhoeke.

Foto van de huidige bungalow op het Ekinga-stinsterrein (2013)

Andere benaming Ekingastins
Ontstaan De Stins werd in de 12e eeuw gebouwd.
Geschiedenis In de Middeleeuwen behoorde het dorp Bayum, waar negen sates toe behoorden, tot twee verschillende parochies. Vijf sates, die dicht bij het dorp stonden, behoorden tot de parochie Bayum en vier tot de paroche Winsum, inclusief het kloosterland van Munnikebayum.
Sibrandus Leo schreef in de 16e eeuw over de abtenlevens van Lidlum. Daarin komen we de vroegst gedateerde vermelding van Bayum als adellijke woonplaats tegen, hoewel het mogelijk is, dat de informatie hierin niet de middeleeuwse realiteit weergeeft, maar opvattingen uit de tijd van Sibrandus Leo. Ook heeft Sibrandus een kaartje toegevoegd waarop we "Echna bij Baion" tegen komen, dat waarschijnlijk op Ekinga betrekking heeft.
Rond 1300 leefde de abt Ids Hermana (1296 - 1309) en was een zekere Doko van Baium prior van Lidlum; hij zou een edelman zijn geweest, die stamde uit het geslacht Eckna. Dit duidt erop dat de relatie tussen Lidlum en de familie Eckna goed was. Deze verslechtert een dertig jaar later: in de jaren 1325/1332 wordt er een grote vete gevoerd tussen de kloosterlingen van Munnikebayum en Lidlum en de "nobiles ab Eeckna". Tijdens deze vete worden zelfs 180 soldaten in het Bayumer klooster gelegerd.

In 1329 komen we dan een "Poppo dictus Kempinga, gretmannus districtus in Bawerth" (Baarderadeel) uit Bayum tegen, die samen met zeven geestelijken een baar bezegeld na een geschil tussen de Herringamannen en de Sewerdamannen. Poppo woont op één van de vier Winsumer sates van Bayum, waarvan er één kloostergoed is, waardoor er drie overblijven, die in aanmerking komen voor het woonhuis van Poppo.
Vervolgens wordt in 1351 "Dytho dictus Eckingga, parochianus in Bayum", voogd over de kinderen Sibada te Saltryp bij Midlum genoemd. Het is opvallend dat hier gesproken wordt, over "behorend tot de parochie Bayum", want dat zou betekenen dat Ekinga eerst tot Bayum behoorde en na 1351 tot Winsum. Er zijn drie mogelijke verklaringen:
* Ekinga is na 1351 overgegaan van Bayum naar Winsum.
* Ekinga had zich in de 14e eeuwse strijd met Lidlum aan de parochie Winsum onttrokken, omdat deze parochie door Lidlum beheerst werd.
* De familie Ekinga hadden twee huizen: één onder Winsum en één onder Bayum.
Ik vermoed de derde optie, omdat er in 2000 de resten van een stins werden opgegraven, die 100 m hemelsbreed ten zuidzuidwesten van Ekinga gestaan heeft. De rechtsopvolgers van de familie Ekinga, de familie Heringa, bezitten in 1511 naast Ekinga in de parochie Winsum, een aangrenzende sate Boerstee of Buyeresteester zaete, die onder Bayum hoorde. In 1511 wordt Ekinga 1511 gepacht door Heyn Eekinga, die zijn naam eraan ontleende.

Zoals hierboven vermeld, is in 1511 de familie Heringa eigenaar van Ekinga en wel Eelcke Heringa en bestaat het goed uit 31 pondematen hoegh meden, 18 pondematen leeghlandt, 33 pondematen fenlant en 7 pondematen seedlant en brengt het 36 floreen pacht op. Eelcke heeft dit goed mogelijk in bezit gekregen via zijn vrouw Lisck Ringia, waarmee hij op Aesgemastate (Poptaslot) te Marssum woont. De ouders van Lisck waren Hobbe Douckes Ringia en NN Popkema in Winsum en waarschijnlijk via deze vrouw uit de familie Popkema kwam Ekinga in bezit van Eelcke Heringa. We zien dat in 1529 deze Eelcke "voer hem ende d'ander erven" van Hobbe Douckes Ringia aanspraak maakt op de zwanejacht over het dorp Winsum en Bayum.
Eelcke en Lisck krijgen in elk geval vier zoons: Ede, Aede, Hobbe en Sascker. Ede erft het hierboven genoemde Aesgema of Heringa State te Marssum, Aede Jongemastate te Rauwerd, Hobbe Tjessinga state te Hilaard en ook verschillende goederen te Winsum en Bayum, terwijl tenslotte Sascker de Ekingastins te Bayum verkreeg. Sascker weet burgemeester van Groningen te worden, maar ondanks de afstand, gaat hij op de Ekingastins wonen.

Vervolgens komen we Sasker in 1543 weer tegen; in dat jaar ontvangen de pastorie en de vicarie van Winsum beide "uuyt Sasker Heringe guedt, Ekinga in Bayum, drie horntiens gulden jaerlicx oft sex portiones en drie hornties guldens uuyt olde Aeckema saete, daer nu toecompt Sasker Heringa". Omdat Sasker de eerste bewoner van de stins is en het Ekinga goed daarmee geen pachtgoed meer is, is het de vraag of Sasker de stins op Ekinga heeft laten bouwen, of dat er al een stins aanwezig was. Sasker sterft in 1565 en wordt opgevolgd door zijn dochter Lisck, die trouwt met Ernst van Isselmuden, waarmee Ekinga in deze familie terecht komt.
De hierboven genoemde 'verschillende goederen te Winsum en Bayum', die geërfd worden door Hobbe Heringa vererven via diens dochter Siouck, die trouwt met Ulbe Douwes Aylva op Hobbe Aylva, die we in 1640 als eigenaar tegenkomen, terwijl Ekinga dan in bezit is van jonker Geert van Isselmuyden, die te Groningen woont. Een aantal jaren daarvoor, in 1622 wordt de Ekingastins nog vermeld onder de nobilium aedes (adellijke huizen). Na de dood van jonker Geert vererft de stins op zijn dochter Anna Helena van Isselmuden, die trouwt met Joachim Ripperda, waarmee de stins in bezit van deze familie komt.

Joachim en Anna Helena hebben een zoon, Hero Maurits Ripperda, Heer tot Farmsum, die in 1681 sterft. Hij is getrouwd met Elisabeth Clant te Stedum, die in of vóór 1686, waarna de voogden van hun mindere jarige kinderen besluiten om de stins ter afbraak te verkopen. De voogden en curatoren zijn jonker Johan Clant, Heer van Stedum en Uijtwierde, jonker Gijsbert Herman Ripperda, Heer tot Oosterwijtwerd en jonker Albert Leve, Heer tot Cantens. In de aankondiging op 12 juli 1686 wordt melding gemaakt van: "seeckere old-adelyke stins, met de grond en plaetse waerop het selve staet, sampt gracht daerom gelegen, staende dicht aen de dorpe en kercke tot Bayem doch behoorende onder den klockslach van Winzum".
De kopers zijn Gerben Rienks, Gerben Hoytes en Sybbert Keimpes, alle drie uit Jorwerd, die voor 355 goudguldens, 7 stuivers en 6 penningen, die nieuwe eigenaars worden. Anno 2020 is dat een slordige 200.000 euro. Volgens de heer J. Leemburg kan dit enorme bedrag voor een bouwval alleen betaald zijn voor de 'onbekende stins', die gebouwd was van tufsteen. Dat werd in die tijd vermalen en gebruikt voor de bereiding van cement en was als zodanig goud waard.

Nog in hetzelfde jaar wordt het goed doorverkocht. De omschrijving luidt dan: "een seeckre camp landts daar het stins op gestaan heeft, met de grachten daarom lopende". Hieruit maken we op dat de afbraak snel heeft plaats gevonden. In het verkoopbedrag zit een grappige voorwaarde ingebouwd: 90 goudgulden en daarnaast 3 zilveren halve dukatons, één voor ieder van de echtgenotes van de verkopers. Dit bedrag is nog steeds hoog en ook hieruit blijkt dat het waarschijnlijk de verkoop betreft van de 'onbekende stins' en het grote terrein waar deze op stond en niet de kleine 'stinspôlle'.
In 1700 wordt in de floreencohieren melding gemaakt van een boerderij op Ekinga, die eigendom is van Schelte Wybes en Tede Mincx, beide uit naam van hun echtgenote en ieder voor de helft. De eerste van deze twee mannen is gebruiker. Aan de hand van deze floreencohieren kan ook worden vastgesteld, dat het terrein van de opgegraven stins geen deel uitmaakte van één van de sates van Bayum.
Op de kaart van Schotanus uit 1718 zien we dat Ekinga nog een omgracht stinsterrein is, met ten zuiden daarvan een stinswier. Aan de hand van de kaart kan ook worden bepaald, dat zowel het stinsterrein als Ekinga toen onder het Winsumer deel van Bayum vielen.

In 1827 is er zelfs sprake van vijf eigenaars, die vrijwel zeker de erfgenamen van bovenstaande personen zijn. Dit zijn Jan Jansen uit naam van zijn vrouw voor 1/8 deel, Johannes Broers uit naam van zijn vrouw voor 1/8 deel en Tede Minks voor 1/8 deel, Trijntje Scheltes voor 1/8 deel en Andle Claassen uit naam van zijn vrouw voor 1/8 deel. Bij elkaar is dit 5/8 deel; helaas is nuiet duidelijk wie eigenaar van de rest is. De gebruiker van het geheel van Ekinga is Tede Minks.
Vijf jaar later wordt in het kadaster (1832) meding gemaakt van twee eigenaren voor de boerderij: 'Pieter Cornelis Bosma en mede E'. Inmiddels is de stinspôlle dan afgesplitst en eigendom van gaardenier Mink IJdes IJdema, waarschijnlijk een afstammeling van Tede Mincx.

De doorgaande weg naar Dronrijp liep tot 1870 tussen Ekinga en het perceel waarop in 2000 de stinsfundamenten zijn aangetroffen door. Deze weg was een belangrijke middeleeuwse route naar en van het noorden en liep over het terrein van de stinsen, waardoor vijanden tegengehouden konden worden en tevens het afdwingen van betalen van tol te vergemakkelijken. Volgens de heer J. Leemburg rijst het vermoeden dat dat beide terreinen oorspronkelijk een geheel vormden en dat Ekingastins de opvolger was van de 12e eeuwse tufstenen stins aan de overzijde van de weg.
Dit klinkt heel aannemelijk, maar daarbij komt zijn eerdere stelling over de verkoop in 1686 op losse schroeven te staan. Als een kasteel een ander kasteel opvolgt, vervalt het eerste kasteel op den duur en wordt dan later afgebroken. Het is heel goed mogelijk, dat de 12e eeuwse stins is afgebroken en dat het materiaal gebruik werd voor de bouw van de Ekingastins. Hierdoor werd deze dan (deels) opgebouwd met tufsteen en was deze waardevol genoeg om in 1686 voor zo'n hoog bedrag te worden verkocht.
Bewoners/Eigenaars 1296/1309 Doko Eckna van Baium (prior van het klooster Lidlum)
1325/1332 nobiles ab Eeckna
1329 Poppo dictus Kempinga in Bayum, grietman van Baarderadeel
1351 Dytho dictus Eckingga (parochiaan van Bayum)
ca 1484 NN Popkema te Winsum, getrouwd met Hobbe Doeckes Ringia
1511 Lisck Hobbesdr Rinia (dochter), getrouwd met Eelcke Heringa
- 1565 Sascker Heringa (zoon)
1565 Lisck Heringa (dochter), getrouwde met Ernst van Iselmuden
1640 jonker Geert van Isselmuyden (zoon)
Anna Helena van Isselmuden (dochter), getrouwd met Joachim Ripperda
- 1681 Hero Maurits Ripperda (zoon), Heer tot Farmsum
1681 - 1686 Elisabeth Clant te Stedum (weduwe)
1686 mindere jarige kinderen van Hero Maurits en Elisabeth
1686 Gerben Rienks, Gerben Hoytes en Sybbert Keimpes
1700 Schelte Wybes en Tede Mincx
1827 Jan Jansen, Johannes Broers, Tede Minks, Trijntje Scheltes en Andle Claassen
1832 Pieter Cornelis Bosma en mede E (boerderij)
1832 Mink IJdes IJdema (stinspôlle)
Huidige doeleinden Van de Stins is niets meer terug te vinden. Wel bevinden zich ter plaatse van deze vroegere wier enkele huizen, die nog steeds de Stinspôlle worden genoemd.
Opengesteld n.v.t.
Foto's Foto van de huidige bungalow op het Ekinga-stinsterrein (2013)
Verantwoording Tekst:
J. Leemburg en C.W. Braaksma
Bronnen:
De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners, P.N. Noomen, Uitg. Verloren, Hilversum, 2009
Archief van de heer J. Leemburg
Foto 1 en 2: de heer J. Leemburg