Gerbada State te Hallum

Ligging Gerbada State stond ten zuiden van Hallum aan de zuidkant van de Hallumer trekvaart, gemeente Ferwerderadeel.

Gerbada State in 1723 getekend door J. Stellingwerf

Andere benamingen Herbada State, later Douma State, Sixmabosch
Ontstaan Het stichtingsjaar van de State is mij niet bekend.
Geschiedenis Evenals Feitsma werd Gerbada pas in de loop van de 16de eeuw een adellijk bewoond huis. In 1511 was Ids van Eminga eigenaar; in 1540 diens schoonzoon Jelger van Feitsma, gehuwd met Claer van Eminga. Jelgers beide dochters woonden in Hallum: Tieth op Feitsma, Saepck op Gerbada. De laatste trouwde met Epo van Douma uit Irnsum. Hun grafzerken zijn nog in de kerk aanwezig.
Hun dochter Saep huwde Epo van Douma wiens goederen verbeurd verklaard werden, omdat hij naar Emden uitgeweken was. Epo was een voorvechter van de Unie van Utrecht en ondertekende vele rekesten aan de Hertog van Aremberg. Op zeker moment moest hij het land ontvluchten om aan de handen van de onmenselijke Inquisitie te ontkomen. Net als bij andere ‘foute’ edelen werden zijn bezittingen verbeurd verklaard.

In 1605 woonde echter Barthold van Douma op Douma State. Anno 1615 "sturven den edelen erentphesten juncker Barthold van Douma out 48 jaer alhier begraven" vermeldt een van de grafzerken in de dorpskerk. Hij was gehuwd met Saep van Douma, die hem tot 1654 overleefde. Hun zoon Erasmus erfde in 1615 en liet Douma State bij zijn dood in 1631 na aan Edzard, zoon van zijn broeder Epo, Griet¬man van Ferwerderadeel tot 1649. Epo gehuwd met Sjouk van Hiddema wordt met vijf andere statebewoners als Grietman vermeld op de kerkklok van 1648. Het goed omvat dan huis, hornleger, bepoting, visserij en zwanenjacht etc. Edzard stierf in 1676 en liet het huis na aan zijn broeder Barthold, die in 1649 zijn vader opgevolgd was als Grietman en in 1659 gehuwd was met Dorothea Crack. Barthold was naast Grietman tevens Ontvanger Generaal van Ferwerderadeel en "mede gecommitteerde in de regeringe van Friesland". In 1663 is Barthold van Douma een van de initiatiefnemers en financiers van de aanleg van een trekweg langs de vaart van Hallum naar de Dokkumer Ee. Op 19 februari 1664 werd daarvoor door de Staten van Friesland octrooi (vergunning) gegeven. Hij heeft er niet lang van kunnen genieten, want hij overleed op 5 maart 1668 op 48-jarige leeftijd en werd in de kerk van Hallum begraven. Onder de grote zerk ligt ook zijn in 1684 overleden vrouw Dorothea van Crack. Een van hun schoonzoons Duco Martena van Burmania huurde de state, doch stierf een jaar na Dorothea.
Hun dochter Remck van Douma trouwde met Ulbo Sixma van Andla, sinds 1721 "president in den Hove van Friesland", waardoor Douma State in het geslacht Sixma van Andla over ging.
De laatste eigenaar was de kapitein Du Tour van Bel¬linchave, die het huis liet afbreken. Hij was in 1792 gehuwd met Duconia van Sixma, dochter van A. T. R. van Sixma en Albertina du Tour.

De verdwijning van Douma State beschrijft dr. Cannegieter als volgt: "Eene stijfhoofdigheid is oorzaak geweest van de slooping van Douma state. De heer Sixma, die geene mannelijke afstammelingen had, verspreidde het gerucht dat hij wel genegen was zijne state te verkoopen. Op zekeren dag vervoegt zich ten dien einde bij hem de heer Plettenberg, die in de Oost-Indien een groot fortuin had gemaakt. Men wordt den koop, op eene kleinigheid na, eens, doch beide partijen blijven onwrikbaar op hun stuk staan. Eindelijk, na veel over en weder praten, vroeg de Oosterling of hij over die kleinigheid kon heen stappen, want zoo hij den drempel verlaten had, hij van den koop niets meer wilde weten. Sixma bleef onverzettelijk en de koop had geen voortgang. Den volgenden dag evenwel was Sixma tot andere gedachten gekomen. Hij rijdt naar Leeuwarden, zoekt Plettenberg op, en geeft hem te kennen, dat zijn slot thans voor de geboden som te krijgen is. Maar Plettenberg geeft ten antwoord, dat hij bij zijn gezegde van gisteren bleef, en dat, met zijnen laatsten voetstap buiten de deur, de gansche handel vernietigd was. Nu wordt Sixma toornig en zegt dat zijn huis na zijnen dood zal afgebroken worden, en dat er geen steen op den anderen zal overig blijven. Dit vonnis is maar al te wel nagekomen. Thans is alles in bouwland herschapen, niets is er van overgebleven, als slechts een fraai gehouwen, steenen leeuw, die met een grimmig gezicht het wapen van Douma in zijne klaauwen vasthoudt, die vroeger zeker het voorplein van dat deftige verblijf der edele bewoners versierde, en thans, als een gedenkteeken van het vergankelijke en wisselvallige van aardsche grootheid en magt, in eenen particulieren tuin onder enen lindeboom geplaatst is. Zoo verloor Hallum eene zijner oudste staten, die door hare ligging in zwaar opgaand geboomte, dat door den naam van Sixma-bosch nog in herinnering gebleven is, omgeven door breede grachten en singels, veel tot luister en sieraad van het dorp bijgedragen heeft."
Net als het verhaal van het ‘Grouwe Pak’ dat zich op Liauckama State te Sexbierum afgespeeld zou hebben is dit een typisch 19e eeuws romantisch verhaal dat niet klopt. Hij laat dit verhaal zich afspelen rond 1850 terwijl de state toen reeds 50 jaar verdwenen was en ook zijn jonker Sixma al lang geleden het loodje had gelegd.

In 1622 wordt Douma als adellijke state aangegeven. In 1648 worden bij de state naast huis, hornleger en bepoting ook visserij en zwanenjacht genoemd. Rond 1640 werd Douma vergroot doordat naast Gerbada ook de naburige goederen Denia sate, Unia state en Burmania (1700) oftewel Bernarda state (1850) bij het landgoed waren gevoegd. Unia en Burmania-Bernarda waren oorspronkelijk kloosterland geweest van klooster Nazareth.
Het huis werd in 1722 door Stellingwerf getekend. Het bestond uit een zaalstins van twee woonlagen tussen trapgevels; waarschijnlijk daterend uit de 16de eeuw. In de 17de eeuw werd er een lang gebouw van één woonlaag, met een gezwenkte eindgevel, Vlaamse gevels en pilasters toegevoegd. Een poort met een wapensteen gaf toegang tot het stinsterrein.
In de Leeuwarder Courant van 27 september 1794 werd Douma State aan de trekvaart te Hallum bij afbraak te koop aangeboden. Op 6 en 28 september 1795 is Douma State uit de hand op afbraak te koop, inlichtingen zijn in te winnen bij Pieter Wesselius, timmerman en ijzerkoper te Leeuwarden. Op 23 april 1796 is vermeld dat op Douma State te Hallum allerlei bouwmaterialen, een prieeltje of "Turksche tent" en een ijzeren hek verkocht zijn.
In 1893 zijn een aantal terpen in afgraving, waaronder de terp "Hallumer Zuidermieden" ofwel die van Gerbada/Douma State.
Op de kadastrale minuutplan van circa 1832 is er op het terrein geen bebouwing meer aangegeven. Wèl was toen het grachtenpatroon nog op het terrein aanwezig.
Bewoners 1511 was Ids van Eminga
1540 Jelger van Feitsma
rond 1565 Epe van Douma
1565 - 1615 Barthold van Douma
1615 - 1650 Epe van Douma
1650 - 1668 Barthold van Douma en zijn vrouw Dorothea van Crack
1668 - 1684 Dorothea van Crack
vanaf 1684 Ulbo Sixma van Andla en zijn vrouw Remck van Douma
A. T. R. van Sixma en Albertina du Tour
tot 1794 kapitein Du Tour van Bellinchave en zijn vrouw Duconia van Sixma
Huidige doeleinden Er is niets van deze state terug te vinden.
Opengesteld n.v.t.
Foto's Kaartje met alle States rond Hallum
Bronnen Tekst: Jan Leemburg
D. Cannegieter, Geschiedkundige herinneringen van Hallum, artikelen in de Friesche Almanak van 1851 en 1852
G.A. Wumkes, Stads en Dorpskroniek van Friesland, 1930
P.N. Noomen, De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners, 2009
Herma M. van den Berg, De monumenten van geschiedenis en kunst, Noordelijk Oostergo, Ferwerderadeel, 1981
A. Algra, De historie gaat door het eigen dorp, ca. 1955
Afb. 1: De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners