Groot Haringa te Ægum

Ligging De state lag direct ten zuiden van het kerkje van Ægum, gemeente Boarnsterhim.
Ontstaan Onbekend
Geschiedenis De heer P.N. Noomen schrijft over deze state het volgende:
De pastoor van Aegum verklaarde in 1543 over Aegum want'et dorp cleyn is, en nyet meer zyn dan ses principael zaeten. In het dorp worden expliciet geen stinzen genoemd. Wel was Haringa hier een belangrijke state. Ook de aanzienlijke regentenfamilie Van Idsinga, met een stammoeder Aytta en geparenteerd aan Aylva en Van Offenhuysen, kwam oorspronkelijk uit Aegum: van Idsingastate aldaar.
De state werd als Harrengha gued in 1450 voor het eerst genoemd. Het was het stamgoed van een familie die enige tijd de Hottingazijl bij klooster Aalsum beheerde. Nadien is de eigendomsgeschiedenis lange tijd onzeker. Niettemin zijn er sterke aanwijzingen dat het goed in de tweede helft van de 15de eeuw in handen is gekomen van een neventak van de adellijke familie Camstra, die in 1511 de grootste grondbezitter van Aegum was. Eerst in 1589 krijgen we over de eigendom van Haringa opnieuw zekerheid, maar wanneer we vanuit die situatie de eigendomsgeschiedenis voor de eerste helft van de 16de eeuw trachten te reconstrueren, lijken de Camstra's er eerder niet dan wel een aandeel in te hebben gehad.

In 1450 kwamen de grietmannen van de Leppa met Popka Harengha, wonend te Friens, en Ziert te Pean overeen dat de laatsten drie zijlen, waaronder Hottingazijl bij het klooster Aalsum, twintig jaar zouden onderhouden en in ruil tol en visvangst zouden krijgen. De helft van Haringa goed in Aegum, Harrengha hael gued tho Aghem, en Zierts beste goed in Pean zouden als onderpand voor het onderhoud dienen. Hoewel Popke in Friens woonde, lag het stamgoed van zijn familie dus waarschijnlijk te Aegum.
Het zal niet op toeval berusten dat de Camstra's in de tweede helft van de 15de en begin 16de eeuw zowel rechten op Hottingagoed bij Hottingazijl als belangen hebben te Aegum en vermoedelijk ook in Bruinsma onder Friens. Ogenschijnlijk maakt hen dat tot de rechtsopvolgers van Popke Haringa bij uitstek. Hij is daarom mogelijk dezelfde als Popka Brunsma, die in 1468 wordt genoemd als mederechter van Idaarderadeel. De eerste die aldus genoemd kan worden is Sywrd Kamstera tho Aghim. Samen met zijn oudste zoon Hoeken verkocht hij in 1470 renten in Hottynga gued bij klooster Aalsum aan Oedske Oedsdr (Rypkema), wier familie in 1455 (1) en 1491 (2) ook rechten in Hottingagoed bezat. Sywrd Kamstera was, zo vernemen we in 1450, rechter in de Leppa geweest en hij was een broer van Renick Kampmestera, die voor hem zegelde. Hij behoorde dus tot (een zijtak van) de adellijke familie Campstra van Wirdum en Jelsum. Een tweede zoon van Sywrd Kamstera, Wygle Sywrdsz, woonde in 1482 eveneens te Aegum. Hij verkocht toen renten uit Westerbura of Ebbena goed te Wartena aan Feyke Kamstra en diens huisvrouw Sitthe.

Dat het goed waarop Sywrd en zijn zoon Wygle te Aegum woonden Groot Haringa was, lijkt duidelijk te worden in 1511: Taka Haringes (!) was toen pachter van Renick Syuuertsz, waarmee we een derde zoon van Sywrd leren kennen. Renick was toen de grootste grondeigenaar te Aegum. In 1511 werd Taka Haringes' goed voor 18 floreen aangeslagen; in 1640 Groot Haringa voor fl. 18-14-0. Renick Syuuertsz Camstra was gehuwd met Sydts Gerbrands Aytta, een tante van Viglius. Hun dochter Rintz trouwde met Gerlof Epkes; zij waren eigenaars van Rollama (SC1), de sate naast Klein Haringa. Een andere dochter, Sydts, trouwde met Hette Gerritz Friesma te Idaard.
Renick Syuuertsz was in 1511 niet volledig eigenaar van Taka Haringes' goed. Afgezien van de pastoor die er twee florenen uit beurde, trokken Wijgla en Eem Feicks er elk een rente van 1 floreen uit. Renick Sijwrtsz, Wijgla en Eern (!) Feickes waren in 1511 daarenboven gezamenlijk eigenaar van een ander klein goed te Aegum, waarbij het opvalt dat Renicks aandeel daarin tweemaal zo groot was als de aandelen van de andere twee. Kennelijk was de erfenis ooit in vieren gegaan en had Renick er een aandeel bijgekocht. Het vierde aandeel kan aanvankelijk behoord hebben aan Hoeken, de in 1470 genoemde oudste zoon van Sywrd Kamstera to Aghim. Eem Feickes (weduwe) - vermoedelijk dus een (schoon)zuster van Hoeken, Wijgla en Renick - was daarnaast in 1511 de grootste eigenaar van Oud Bruinsma te Friens, dat bewoond werd door haar schoonzoon en mede-eigenaar Jella Douwaz.

In 1543 ontving de pastoor in Aegum negen eeuwige delen, waarvan iv vuyt Groot Haringe en vuyt Cleyn Haringe ii werden opgebracht; verder grensde pastoriegoed aan Haringe fennen en betaalden Groot Haringe een rente van 1 goudgulden rente aan de pastoor en Cleyn Haringe (SC7) 1 enkele gulden en 1 carolusgulden. In hetzelfde jaar kreeg de pastoor van Grouw vuyt Haringa guedt tAeghum, daer wylen Jella Douwez plach op te woenen, een hoirnkes gulden, ad paschale vnum ad vsum communicantium. Deze Jella zal dezelfde zijn als de Jella Douwaz die we eerder in 1511 te Friens tegenkwamen, en kan derhalve ook met de Camstra's in verband worden gebracht.
In 1589 werd Groot Haringa te Aegum decretaal verkocht. Uit verkoopbepalingen blijkt dat de toenmalige eigenaar Joachim Juckema het goed was aanbeërfd van zijn ouders (Joachim Juckema) en Bauck Tiete Haringadr, die op hun beurt door aankoop eigenaar zouden zijn geworden. De grootte bedroeg toen 80 pm, terwijl het 17 fl. en 18 st. in de Aanbreng schoot. Het was verder belast met jaarrentes van 10 gg. aan het Burgerweeshuis te Leeuwarden en van 5 gg. aan de erfgenamen van w. Feicke Dircxz, in leven grietman van Idaarderadeel. Daarnaast trok de pastoor van Aegum er een jaarrente van 1 floreen uit en had deze het recht op de derde schooff oft stuick van seeckere ses eynsen opt Tirp. Tevens was ooit door een vroegere eigenaar, Tyettie Hottiez genaamd, bij huurcontract vastgelegd dat dselue nyet hooger verhuyrt zoude ofte mochte worden dan voor dsomma van vyftich goude guldens jairlicx, zoe lange eenen Sicke Tzialinghz ende zyn huysvrouwe waren leuende. De hoogste bieders waren Feico Tziallingsz en Tzialling Sickes, in wie we respectievelijk een broer en zoon van voornoemde Sicke Tzialinghz herkennen; Feico werd de uiteindelijke koper. In 1605 werd Groot Haringa in het testament van Feico's dochter Jeldu Feyckedr, gehuwd met Oene Elingsz te Oosthem, omschreven als een sate landts gelegen tot Aegum genaemt Grote Haringha van tachtich pondematen en toebedeeld aan hun zoon Tzalingh Oenes Bangma, van 1607 tot 1620 grietman van Idaarderadeel. In 1640 is het goed deels in handen van Jorna's. In 1650 ten slotte verwierf het Burgerweeshuis te Leeuwarden een jaarrente van 16 gg. uit (Klein) Heeringa sate tot Eggum bij de zoen van Doeitse Thiesses als eigenaer gebruickt.

De genoemde jaarrente van 10 gg. van het Burgerweeshuis te Leeuwarden kent de volgende geschiedenis. In 1569 was Allerdt van Sierxma, grietman van Het Bildt, door het Hof van Friesland veroordeeld om 200 gg. aan dat weeshuis te betalen. In plaats daarvan droeg hij in 1579 een jaarrente van 3 gg. over uit zeeckere sate landts gelegen toe Aegum, die bij Tiesse Beerndtz eensdeels als eijgen ende eensdeels als landtsate vanden erffgenamen van wijlen Jelle Douwe(z) gebruijckt wordt en een rente van 10 gg. uit zeeckere sate landts mede te Aegum voors. gelegen, die bij Joucke Douwez als landtsate van Bauck Haringa, wedue van wijlen Joachim Juckema wordt gebruijckt. Jelle Douwez hebben we al in 1543 leren kennen als de meier van Haringa guedt tAeghum. Kennelijk betrof dat dan Klein Haringa.
Als gezegd was Tyettie Hottiez een vroegere eigenaar van Groot Haringa. Van hem konden de volgende gegevens worden genoteerd, waarbij we hem leren kennen als een invloedrijke gezeten eigenerfde die eerst te Aegum woonde en naderhand te Anjum in Dongeradeel. Hoewel Aegum op Anjum lijkt is hier geen sprake van lees- of schrijffouten.

In 1511 werd als eigenaar en gebruiker te Aegum opgetekend: Tijetie Hottijez mit sijn cleijn guedt, 45 pondematen fennen, ½ pondt zeedlant, 54 pondematen meden, waarvan de huurwaarde op 23 fl. werd getaxeerd. Te zelfder tijd verhuurde Tretthie (!) Hottijez 1 pm meden en 10 pm fennen te Wirdum aan Broer Fockenz. In 1531/1532 wordt Thettye Hottye te Aennyum vermeld als koper. In 1540 wordt Thijetye Hottiez met Jw Jonghama, Lyuwe Minnez (Mellema?) en Lyuwe Mellez vermeld als baarman. In 1543 werd bij Thiethie Hotthies, oudt lx jaeren, informatie ingewonnen over status en betekenis van de woirden styns, staeten ende hornelegher; zes edellieden legden toen soortgelijke verklaringen af. In 1543 was Thielke (!) Hottiez kerkvoogd van Anjum. In 1543 wordt Thyetke Hottiez als naastligger aldaar vermeld. In 1543 wordt Tetze Hotzez als naastligger te Morra vermeld. In 1555 werd Tiete Hoytez, als grootvader van Vulcke, zijn dochtere kinderen (!), gedaagd door mr. Doecke Eninga, hem zeggende volmacht van Worp Sybetz Peyema, als man en voecht van Beyts Tsomme Hellingadr, ende als volmacht van Hille, huer suster, wedue van Minne Hellinga, daervoir caverende de rato. In 1559/1560 verkocht Tyette Hottes een huis te Anjum. In 1563 wordt Tzietze Hothiez vermeld als naastligger ten oosten van de sate dat Luttickguet tot Tyaert onder Wirdum. (3) In 1569/1570 kocht Tiethie Hoethies Heringa (!) land te Anjum van Ryoert Andries. In 1582 blijkt dat w. Tietthie Hotties in Dongeradeel destijds land bij de Zwette onder Roordahuizum heeft verkocht.

Zoals eerder vermeld bij de decretale verkoop uit 1589 trok de pastoor van Aegum toen een jaarrente van 1 floreen uit Groot Haringa en had hij het recht op de derde schoof van zekere zes einsen op de terp. Die zes einsen komen precies overeen met de halve pm zaadland, die Tijetie Hottijez in 1511 aanbracht. Te gelijker tijd was daarentegen Taka Haringes, de meier van de Camstra's, de enige in Aegum die een rente (van 2 floreen) aan de pastoor betaalde.
Aldus zijn er twee bezitslijnen gereconstrueerd die met elkaar strijdig zijn. Als voorlopige conclusie mag misschien gelden dat zo rond de jaren 1520 de Camstra's en Tijetie Hottijez een kleine ruilverkaveling in Aegum hebben doorgevoerd, waarbij ondermeer Klein Haringa van Groot Haringa werd afgesplitst en er bepaalde lasten kunnen zijn verlegd. Verder onderzoek naar de eigendomsverhoudingen in Aegum is derhalve gewenst.
Niettemin is wel duidelijk geworden dat Groot Haringa na 1511 door de eigenaars werd verpacht. Het was toen een "gewone" boerderij, een stins wordt niet genoemd.

Het goed onderscheidde zich in 1832 van de andere Aegumer sates door de brede gracht rond het erf. Na 1832 is de boerderij gesloopt en er is niets voor in de plaats gekomen.

(1) OFO, I, nr. 139 (1455): Ade Sjoerdsz Rypkema draagt bij een ruil zijn deel van Hottingagoed aan Epe Jarichsz te Kee over.
(2) OFO, I, nr. 388 (1491). Aeda Aedaz (Rypkema) heeft een geschil met het klooster Aalsum in verband met de verkoop door hem van Hottingagoed aan het klooster.
(3) Tjaard ligt pal ten westen van Aegum, zodat deze vermelding op Haringa betrekking zal hebben.

Eigenaren/Bewoners 1450 Popka Harengha/Brunsma
1470 Sywrd Kamstera
1511 Renick Syuuertsz eig., Taka Haringes pachter
voor 1543 Jella Douwaz (mede-eig. en bewoner)
Tyettie Hottiez eig., Sicke Tzialinghz pachter
Joachim Juckema en Bauck Tiete Haringadr
tot 1589 Joachim Juckema jr.
vanaf 1589 Feico Tziallingsz
voor 1605 Jeldu Feyckedr gehuwd met Oene Elingsz
na 1605 Tzalingh Oenes Bangma
1640 Siebren Keimpes (Jorna) kinderen en "Oenes met zijn huisvrouw", gebruiker is Tjaard Tjaards
Huidige doeleinden Het terrein is nu weiland.
Opengesteld n.v.t.
Foto's
Bronnen Tekst: met toestemming van auteur P.N. Noomen overgenomen van de website www.hisgis.nl, tab "kaartlagen", keuze "Stinzen fryslan". Die tekst is tevens gepubliceerd in "De Stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners", P.N. Noomen, Uitgeverij Verloren, Hilversum 2009