Heer Ivohuis te Leeuwarden

Ligging Het huis staat aan de Grote Kerkstraat nrs. 7 en 9 in Leeuwarden.

Heer Ivohuis zoals het er rond 1750 moet hebben uitgezien
Ontstaan Het oorspronkelijke huis werd gebouwd in de 15e eeuw of eerder.
Geschiedenis Het Heer Ivohuis staat op de hoek van het heer Ivostraatje en de Grote Kerkstraat, vlakbij het Oldehoofsterkerkhof.

De oudst bekende bewoonster van het pand is mevrouw Frouck Wnye (Oenia/Unia) geweest aan het begin van de 16e eeuw. Zij was een (klein)dochter van Keympe Feyckesz Unia en Frouck Amama. In of kort voor 1511 is zij overleden, want in dat jaar werd het huis door de Burmania's en de Martena's aan de kerk van Oldehove overgedragen als “achterlaten van salighe Frouck Wnye, staende bij Oldehouw, der nu ter tyt opghetimmert is tot een Pastoers huus”. Het huis was dus eigendom geweest van de familie Unia, maar vóór de overdracht hadden de andere erfgenamen het pand laten verbouwen om het geschikt te maken als representatief onderkomen voor de hoofdpastoor.
Pastoor Ivo Johannesz bewoonde het pand tot 1581, het jaar waarin hij overleed. Tijdens de Reformatie in 1579/1580 werden de meeste pastoors gedwongen hetzij Protestant te worden, hetzij te vertrekken. Zo niet pastoor Ivo Johannes. Hij was een zeer sociaal en algemeen hoog geacht man. Daarom en omdat hij al op hoge leeftijd was kreeg hij toestemming het huis tot zijn dood te blijven bewonen.

Hierna kwam het huis in handen van de adellijke familie Van Donia. Het behoorde in de eerste helft van de zeventiende eeuw aan jhr. Ernst van Donia en zijn vrouw Doedt van Roorda. Na de dood van Ernst van Donia in 1643 verkocht diens weduwe het diepe deel van het pand (het huidige hoekpand, nummer 7) aan Feye Tierx Heidema en het dwarshuis (thans nummer 9) aan haar zuster Tjitske van Roorda, waarbij het pand werd gesplitst in twee woonhuizen. Later kwam ook dit dwarshuis in bezit van Feye Tierx' zoon dr. Tarquinus Heidema, advocaat voor het Hof van Friesland, waardoor de eerdere splitsing van het pand weer ongedaan werd gemaakt.

Vervolgens werd Hendrik van Wyckel, secretaris van Gedeputeerde Staten eigenaar. De erfgenamen van Van Wyckel verkochten het pand aan de kamerheer van prinses Maria Louise van Hessen-Kassel, Jonkheer Robbert Hendrik van Hambroick, die het pand in 1766 aan de latere grietman van Ferwerderadeel, Emilius Josinus de Schepper en zijn vrouw Amelia Coehoorn van Scheltinga verkocht.

In 1785 deed Emilius afstand van het pand en verkocht het aan vrouwe Georgina Francoise Lycklama ŕ Nyeholt en haar man Philip Hendrik Neering Bogel. Op 1 juni 1793 werden er 1000 gouden dukaten uitgeloofd door justitie voor de tip die zou leiden tot de aanhouding van Neering Bogel wegens diefstal. Hij had geld verduisterd in zijn beroep als Floreenrenten-inner (belasting inner). Doordat hij failliet was werd het huis op 6 December 1793 verkocht aan een advocaat van het Hof van Friesland, mr. Epeus Wielinga Huber en zijn vrouw jonkvrouw Anskje Doyes Vegelin van Clearbergen. Ook in de 19e en 20e eeuw zijn goed gesitueerde bewoners eigenaar geweest van het pand. Een Grietman, een predikant en verschillende artsen, zoals in 1948 de heer Scheltema.

Daarna werd het huis voor verschillende doeleinden gebruikt. Uitvaartvereniging 'De laatste eer' heeft er lange tijd haar onderkomen gehad. In 1992 heeft de winkel Friso Design er zijn onderdak gevonden en enkele jaren later werd restaurant 'de Brasserie' in het pand gevestigd.

De kern van het huis is dus vroeg zestiende-eeuws of misschien zelfs nog ouder. Dat het gebouw zo oud is, is moeilijk af te lezen aan de buitenzijde van het heer Ivohuis. Misschien alleen nog aan het drietal smalle vensters in de zijgevel. Het zware muurwerk bij die vensters is binnen te zien. het pand is ruim 7 meter breed; de zijgevel ongeveer 18,5 meter lang met nog een achterbouw van 6,5 meter. Het voorhuis heeft twee verdiepingen en het achterhuis bevat een kelder en twee lagere verdiepingen. Het voorhuis heeft hier bovenop nog een hoge bekapte zolder, het achterhuis daarentegen heeft geen kap. De bouwlaag boven de zeer oude, met tongewelven overdekte kelder, wordt verlicht door het drietal vensters in de zijgevel, die in zeer diepe raamnissen staan. Een tongewelf is een gewelf (holgebogen zoldering, meestal van steen) waarvan de dwarsdoorsnede een halve cirkel of ellips is. Alle buitenmuren zijn bepleisterd. Aan de onderzijde van het pleisterwerk zitten hoge spatlijsten die aan de voorzijde vlak en aan de zijkant rustiek ruw zijn. De kap is voorzien van Friese platte pannen die op voor- en achterschild rood geglazuurd zijn. Op de hoeken van het dak staan keramische pironnen. Er zitten twee grote drielicht kajuiten op het zijschild. Deze zijn uitgebouwd met dakschilden die een minder steile helling vertonen ten aanzien van de nok van het dak dan de dakvlakken zelf. Die kap is hoogstwaarschijnlijk omstreeks 1905 onder leiding van architect W.C. de Groot verbouwd. Dit valt af te lezen aan de toepassing van een drielichtvenster in de achterbouw en de veelvuldig aangebrachte decoratieve glas-in-lood ramen uit de vernieuwingstijd. Bovendien is de kans groot dat het pand ook pas toen gepleisterd is, aangezien het pand rondom hoge spatlijsten heeft. Het is dus duidelijk dat veel andere oudere gedeelten als gevolg van verbouwingen verdwenen of later weggewerkt zijn.

De verbouwing In de periode omstreeks 1905 is vooral zichtbaar aan de buitenkant van het Heer Ivohuis. Een aantal ramen zijn voorzien van bovenlichten met kleine roeden of zijn met decoratief glas-in-lood gevuld en de dakpartij is voorzien van de eerder genoemde pironnen. Waarschijnlijk zijn er eveneens brede en hogere vensters in de plaats gekomen voor de smallere vensters die er toen nog zaten. Dit geldt ook voor de kelder, die een invulling heeft uit de verbouwing rond 1905. Deze kelder heeft zestiende-eeuwse maten.

Binnen wacht de bezoeker een verrassing: een compleet gave gang over de volle lengte van het voorhuis in de Lodewijk XVI-stijl. Deze gang gaat over in een klein smal trapje dat iets verschietend doorloopt in het achterhuis. Aan het einde van de brede hal vindt men een royaal trappenhuis dat verbonden is met het naastgelegen huis, de westelijke vleugel van het princessehof. Een stuk van het uit de zestiende eeuw daterende dwarshuis dat bij het huis is gehouden. Vloeren en lambrisering zijn bekleed met grote marmerplaten van een rijke kwaliteit. De wanden zijn verder in de vakken geleed en gedecoreerd met sierpleister in een programma dat ook op het plafond voortgezet wordt. Een beheerst programma en zoals dat bij de Lodewijk XVI-stijl te doen gebruikelijk is met hier en daar een versierend accent. Hoogtepunten zijn de ronde, holle nissen met putti in de velden boven de eerste, tegenover elkaar liggende deuren. Putti is de benaming voor naakte kinderfiguurtjes, als amoretten of engeltjes gedacht, met een decoratieve of allegorische betekenis. Van die deuren leidt de linker naar de eerste salon en de andere zit voor een ondiepe muurkast en vormt dus bijna een schijndeur.
De twee salons in het voorhuis bezitten stucplafonds met getrokken lijsten, een centraal ornament en kwartronde hoekornamenten in de Lodewijk XVI-stijl. De derde salon, boven de kelder in het achterhuis, heeft vermoedelijk nog een oud balkenplafond, maar ook daar is een plafond van sierpleister op aangebracht met vakken die ten opzichte van elkaar verspringen, waardoor deze veel lagere zaal een merkwaardige ruimtewerking heeft. Deze salon wordt verlicht door de eerder genoemde drie smalle vensters in diepe raamnissen. Hierachter zit nog een keukenruimte. Bovendien zijn er verschillende tegeltableaus te vinden, hierop staan de afbeeldingen van vazen, een paard, een hond en in de grote centrale hal boven een vogelkooi. Naar alle waarschijnlijkheid stammen deze tableaus uit de achttiende eeuw.

Een oorspronkelijk gedeelte van de spiltrap leidt naar de kelder die is gedekt door tongewelven. Het ruime trappenhuis met nieuwe leuningen, vermoedelijk daterend uit 1905, leidt naar een ruime hal op de verdieping. Deze ruime hal is in zijn geheel door een plafond van zware moerbalken en kleine kinderbinten overdekt. Tussen de balken zit zelfs het spreidsel nog, dunne eiken platen om het geheel te verfraaien en de naden van de bovenliggende vloer te bedekken. De balken rusten op fraai behakte sleutelstukken met gotische profielen. Verder vinden we daar een rijk gesneden schoorsteenpartij, waar eerder al aan gerefereerd werd. De houten lijst om de schouw laat strenge omkaderde velden met decoratieve randen en grote hoekbloemen zien en ook de daarboven staande spiegel is sierlijk maar strak omkaderd, typisch Lodewijk XVI. Maar het daarboven zittende schoorsteenstuk van ongeveer 100 bij 75 cm is gevat in een gecurfde lijst van rocaillevormen in de stijl van de rococo die hier na 1790 eigenlijk niet meer voorkwam. Dit geschilderde schoorsteenstuk, een vaas met een overdadige bos bloemen is waarschijnlijk het product van een van de vele decoratieschilders (bijvoorbeeld Nicolai of een van de Swarts) die in Leeuwarden actief waren. Om even in die bovensalon te blijven: tegenover de monumentale schouwpartij wordt de overgang naar een zijkamertje gevormd door een grote poortopening. Dit interieurelement, een grote, brede, toogvormige opening zonder deuren, geliefd in de jaren -twintig en -dertig van de 20e eeuw, vond in dit pand al vroeg toepassing. De meervoudige omlijsting in allerlei fantasievolle vormen moet uit de periode van circa 1785 dateren.

Al met al is het heer Ivohuis zoals is gebleken in de kern zestiende-eeuws en heeft het omstreeks 1785 en 1905 belangrijke verbouwingen ondergaan. Dit heeft duidelijke sporen nagelaten, wat het een interessant pand maakt om te onderzoeken. Er zijn een aantal verschillende stijlen in te herkennen. Daarom is het ook volkomen terecht dat het pand op de monumentenlijst staat. Het enige nadeel is echter wel dat dit vele beperkingen oplevert voor het toekomstige gebruik van het pand. Veel dingen worden voorgeschreven en verbouwen is maar op zeer beperkte schaal toegestaan. Dit is zeker een probleem gezien het feit dat de monumentaliteit vooral binnen ligt. Maar de huidige en toekomstige gebruikers hebben daarentegen wel weer het genoegen om zich te mogen huisvesten in een monumentaal pand dat een lust voor het oog is.
Bewoners tot 1511 Frouck Wnye (Unia)
1511 – 1580 RK Parochie Oldehove
familie Van Donia
jhr. Ernst van Donia
1643 Feye Tierx Heidema
dr. Tarquinus Heidema
Hendrik van Wyckel
Robbert Hendrik van Hambroick
1766 Emilius Josinus de Schepper
1785 Georgina Francoise Lycklama ŕ Nyeholt en Philip Hendrik Neering Bogel
1793 mr. Epeus Wielinga Huber
1948 de heer Scheltema
Uitvaartvereniging 'De laatste eer'
1992 Friso Design
restaurant 'de Brasserie'
Huidige doeleinden In het huis is een brasserie gevestigd.
Opengesteld ma v.a. 12.00 uur
di t/m za v.a. 10.00 uur
zo v.a. 16.00 uur
keuken geopend tot 21.00 uur
Foto's Voorgevel vanuit de Kleine Kerkstraat op 30 nov. 2006 Westzijde van het huis vanaf het Oldehoofsterkerkhof (30-11-2006) Voorgevel van het huis op 22 maart 2007
Heer Ivohuis op de plattegrond van J. Sems uit 1603 Heer Ivohuis zoals het er rond 1900 moet hebben uitgezien
Bronnen Tekst: Jan Leemburg
' Eerdere informatie over het Heer Ivohuis op de website van de NHL Hoge School
Karstkarel, G.P., Het Heer Ivohuis, Grote Kerkstraat 7 te Leeuwarden (R.O.V. /Monumentenzorg 1989)
Eekhoff, W., “Op reis door Friesland in de vorige eeuw” (Leeuwarden z.j.)
“Geschiedkundige beschrijving van Leeuwarden” door W. Eekhoff, 1846
“Adelshuizen in Leeuwarden” door M.W. Meijer, 1980
Afb. 1: Archief J. Leemburg
Foto’s 1 t/m 3: Archief van J. Leemburg
Afb. 2 en 3: Archief van J. Leemburg