Tadema State te Kollum

Ligging Deze State stond ten noordoosten van Kollum, gemeente Kollumerland.

Kaartje met de States rond Kollum
Andere benaming Domabosch
Ontstaan De State is mogelijk rond 1600 ontstaan uit een ‘gewone’ boerderij.
Geschiedenis Tadema State werd aan het begin van de 17de eeuw bewoond door Benno Tadema. Hij wordt vermeld in 1623 “op de Uiterdycken”, dat is in de Uiterdijkstercluft en dus vrijwel zeker op Tadema State. Het is mogelijk dat hij de state heeft laten bouwen. Benno was in 1617 ontvangergeneraal (directeur van de belastingdienst) van de grietenij Kollumerland en rekenmeester van de provincie Friesland vanwege Oostergo. Hij stierf ongehuwd op 13 maart 1636 en maakte zijn nicht Doedtje (Dodonea) tot zijn erfgenaam. Zij was een dochter van Kempo van Tadema, rekenmeester van Friesland en dijkgraaf van Kollumerland, en had in 1622 (op 2-jarige leeftijd) Tademastins ten westen van het dorp van haar vader geërfd.
In 1634 overleed haar moeder, Catharina van Scheltinga en werd zij op 13-jarige leeftijd wees. Zij werd opgenomen in het huis van haar oom en tante Dirck van Fogelsangh en Geertje van Scheltinga te Franeker. Ook na het overlijden van haar tante in 1635 bleef ze bij haar oom wonen. Daar leerde ze Pibo van Doma, een jongere broer van haar oom, kennen en gingen ze trouwbeloften aan, zeer tegen de zin van haar ooms van moederszijde vanwege het standsverschil. De Tadema’s en Scheltema’s waren immers aanzienlijke eigenerfde geslachten en Pibo was ‘slechts’ de zoon van een, zij het dan ook zeer vermogend en voornaam, koopman te Leeuwarden. Het draaide uit op een proces voor het Hof van Friesland. Pibo beriep zich daarbij “tot staving van zijn fatsoen” niet op de familie van zijn vader, maar op die van zijn moeder. Hij gaf te kennen “dat sijn grootvader Dirck Fogelsangh, Doctor Juris (advocaat) was en twaalf jaren als Gedeputeerde Staat had gezeten, en daarbij was van goede patrimoniële goederen”. De tegenstanders verloren de strijd en de 23-jarige Pibo trouwde in 1637 met zijn toen nog maar 17 jaar jonge beminde. Hij had gestudeerd te Franeker en Leiden en toen hij trouwde was hij nog kandidaat in de rechten, maar korte tijd later promoveerde hij aan de Franeker universiteit en werd op 4 mei 1637 benoemd tot advocaat voor het Hof van Friesland. In 1642 was hij volmacht ten Landsdage vanwege Kollumerland c.a. en op 17 augustus 1650 werd hij tot dijkgraaf van deze grietenij benoemd. Daarnaast was hij rekenmeester van de provincie Friesland en werd in december 1650 aangewezen als een van de 17 leden van de Friese Staatscommissie om deel te nemen aan de Vergadering der Staten Generaal te ’s-Gravenhage. Die vergadering had op 18 januari 1651 plaats in de Ridderzaal en door omstandigheden werd Pibo naar voren geschoven om als voorzitter op te treden. Op 16 april van dat jaar werd hij benoemd tot landssecretaris van Friesland. Vet betaalde betrekkingen met een hoge status waardoor zijn schoonfamilie zich niet meer hoefde te schamen voor zijn ‘geringe’ afkomst.

Pibo en Doedje gingen op Tadema State wonen, waardoor dit huis lange tijd onder de naam van “Doma-bosch” bekend was. Op het hoogtepunt van Pibo’s roem stierf Doedje op nieuwjaarsdag 1652 en werd in de familiegrafkelder te Kollum bijgezet. Pibo bleeft vooreerst in Kollum wonen. In 1657 woonde hij daar nog, maar in 1662 was hij burger van Leeuwarden en was daar lid van de Vroedschap. Hij schijnt ook op Hania State te Oosterwierum gewoond te hebben, die afkomstig was van de familie Fogelsangh.
In 1666 werd hij raadsheer aan het Hof van Friesland welke functie hij bleef bekleden tot zijn dood omstreeks 1675. Hij werd te Kollum begraven.
Hun zoon noemde zich Kempo Tadema van Doma. Dochter Catharina trouwde in 1662 met Petrus van Rosema, monstercommissaris van Friesland, met wie ze eerst op Tadema State woonde en later op Fogelsangh State te Veenklooster dat ze van haar vader had geërfd. Haar broer woonde bij hen in, want die overleed ongehuwd in 1670 op Tadema State en werd in de kerk te Kollum begraven. Petrus van Rosema stierf omstreeks 1688, waarna zijn weduwe nog een aan tal jaren op Fogelsangh State bleef wonen. Zij overleed na 1698. Waarschijnlijk waren Catharina en Petrus de laatste bewoners van Tadema State, want het schijnt dat het goed reeds in 1698 als sathe (boerderij) verhuurd werd.

In de kerk van Kollum is een grafzerk aanwezig die gemaakt is voor Kempo van Tadema (overl. 1722), maar waarin ook de nagedachtenis van Catharina van Scheltinga (overl. 1631), Kempo Tadema van Doma (overl. 1670) en Geertje van Scheltinga (overl. 1635) in gebeiteld is. Tussen de gegroefde zuilen van de renaissance middenpartij twee familiewapens onder een helmteken. Eveneens dergelijke (afgehakte) wapens in de vier hoeken en verder een aantal doodssymbolen en allegorische vrouwenfiguren die geloof, hoop en liefde uitbeelden (zie foto 1).
Bewoners 1623 Benno Tadema
1636 - 1652 Dodonea van Tadema en Pibo van Doma
1652 – ca. 1675 Pibo van Doma (eigenaar)
1657 – 1670 Kempo Tadema van Doma (bewoner)
1662 – 1688 Petrus van Rosema en Catharina van Doma.
Huidige doeleinden Op de plaats van de stins staat een boerderij.
Opengesteld n.v.t.
Foto's Grafzerk familie Tadema-Scheltinga
Bronnen Tekst: Jan Leemburg
“Kollumerland en Nieuw Kruisland” door mr. A.J. Andreae, 1883-1885
“Nederlandse monumenten in beeld, Groningen Friesland Drenthe”, Herma M. van den Berg en Regnerus Steensma, 1975
Website van Hisgis
Afb. 1: www.hisgis.nl>br> Foto 1: “Nederlandse monumenten in beeld, Groningen, Friesland, Drenthe”