Thetinga State

Ligging De Thetinga State stond ten noorden van Wieuwerd, v/h gemeente Baarderadeel, nu Littenseradiel.

Plattegrond met afbeelding van de State, (Stadsarchiv van Neurenberg

Andere benamingen Waltahuis, Het Labadistenbos
Ontstaan De oudste vermelding dateert uit 1512.
Geschiedenis Thetinga State was het stamhuis van de familie Van Walta. Wie er het eerst was, is niet bekend, maar de state gaat een aantal generaties over van vader op zoon die allemaal de namen Pieter Douwes of Douwe Pieters dragen.

Pieter Douwes van Walta, getrouwd met Frouck Lieuwes van Juckema, stichtte in 1619 de familiegrafkelder in de kerk van Wieuwerd. Dat Pieter goed in de slappe was zat, mag blijken uit het aantal boerderijen dat hij bezat: zeven onder Wieuwerd en vijf onder Britswerd! In deze generatie wordt de traditie doorbroken, want van hun twee kinderen sterft Douwe al op vrij jonge leeftijd zonder kinderen.
De "Tegenwoordige Staat van Friesland" vermeldt overigens: "De schoone State Thetinga is het langst in weezen gebleeven, en veele jaaren bewoond door de Familie van Walta, wier hoofdtelg Douwe, in den Oorlog tusschen de Gelderschen en Bourgondiërs, de zyde der laatstgemelden hield; waarom hy, in 1522, op zyn Stins werd aangetast door den Gelderschgezinden Edelman Heerke Feikes, die dit huis met 20 knechten veroverde, en ‘er bleef liggen’, om de gemeenschap tusschen Sneek en Leeuwarden te belemmeren. Doch kort hier op werd hy, op zyne beurt, door den Stadhouder Georg Schenk, belegerd, en, met het Leeuwarder zwaar geschut tot de overgave gedrongen zynde, daar na met zyn volk dood geslagen". Douwe Pieters leefde dus nog in 1522, maar of hij bij die belegering van zijn stins gesneuveld is of kort daarna is overleden, wordt niet vermeld.

Na de dood van deze laatste Douwe Pieters van Walta wordt het hele Walta-bezit eigendom van zijn zuster Luts Pieters van Walta, die trouwt met Cornelis Franciscus van Aerssen, heer van Sommelsdijck en Spijk, kolonel bij de Ruiterij van gouverneur Van Nimwegen. De kolonel stond vooraan in de aanval op Amsterdam in 1650. Van Aerssen was een van de rijkste edelen van Holland en werd later gouverneur van Suriname. Na de dood van haar tante Anna, een zuster van haar moeder, kwam het hele familiebezit van de Juckema’s ook in handen van Luts.
De drie zusters van Van Aerssen behoorden tot de sekte van de Labadisten. Dat was een groep protestantse volgelingen van Jean de Labadie, een geletterd en geleerd man, die walgde van de voortdurende strijd tussen de Protestanten en de Rooms Katholieken, maar in het bijzonder van de verschillende protestantse stromingen onder elkaar. Hij werd gevolgd door gelijkgestemden, zoals de bekende Anna Maria van Schurman, die na zijn dood in feite de leidster werd van deze groep. Ze leefden allemaal bij elkaar in een soort commune en als ze lid werden, deden ze afstand van al hun bezittingen ten gunste van de groep. Omdat omstanders dat maar vreemd gedrag vonden, werden ze overal waar ze zich vestigden verdreven. Van Middelburg naar Veere, van Veere naar Amsterdam, van Amsterdam naar Herford in Duistland en vandaar naar Altona in Denemarken. Toen het daar na de dood van Jean ook niet meer veilig was, konden zij zich door bemiddeling van de drie zusters van Cornelis van Aerssen op Thetinga vestigen. In mei 1675 kwamen ze daar aan en al gauw kreeg het slot, dat door hoge bomen omringd was, de naam "het Labadistenbos".
In 1675 telde de groep zo’n 100 leden, maar daar kwamen in de loop van de tijd zeker 300 bij. Om iedereen onderdak te kunnen bieden werd de state regelmatig verbouwd, waarbij de grote zalen werden opgedeeld in kleine woonvertrekken. Langs de grachten werden nieuwe gebouwen neergezet. Om iedereen werk en eten te verschaffen was niet het grootste probleem, want ook de twaalf boerderijen behoorden bij de Labadistengemeente. Ondanks alle bezit en strakke leiding ging het mis met de gemeente, tot die rond 1724 een stille dood stierf. Alle leden van de gemeente kregen driekwart van de door hen ingebrachte bezittingen terug en daarmee was de gemeente opgeheven.

Na de dood van de Van Aerssen van Sommelsdijcken werd veldmaarschalk graaf Maurits van Nassau eigenaar van Thetinga State via zijn schoonmoeder Françoise van Aerssen van Sommelsdijck. Die verkocht het landgoed voor 100.000 gulden aan Hans Willem baron van Aylva. Bij die verkoop was bepaald, dat Koenradus Bosman, de laatste leider van de Labadisten, zo lang hij leefde op de state mocht blijven wonen. In ruil daarvoor hoefde de koper een kwart van de koopprijs pas te betalen na het vertrek van Bosman. Die vertrok uiteindelijk in 1732 naar Leeuwarden, waarna de baron de laatste 25.000 gulden betaalde en zijn gang kon gaan met de state. Baron van Aylva liet de state opknappen en weer in oude staat terug brengen, maar in 1733, nog vóór de verbouwing klaar was, stierf hij. Dat betekende ook het einde van de state, want zijn erfgenamen lieten alles afbreken. Geen steen bleef op de andere en ook het bos werd volledig gerooid.
Op het stateterrein werd een boerderij gebouwd, de rest werd weiland.
Bewoners Pieter Douwes van Walta Douwe Pieters van Walta Pieter Douwes van Walta Douwe Pieters van Walta rond 1600 Pieter Douwes van Walta in 1622 Douwe Pieters van Walta rond 1625 Luts Pieters van Walta 1675-1732 de gemeente der Labadisten 1732-1733 Hans Willem baron van Aylva
Huidige doeleinden Op de plaats waar vroeger de State stond, bevindt zich nu een boerderij.
Opengesteld De boerderij is niet toegankelijk.
Foto's De afbeelding van de State op bovengenoemde plattegrond
Bronnen Tekst: J. Leemburg
"Baerderadiel, in geakunde" van het Geakundich Wurkferbân fan de Fryske Akademy
"Tegenwoordige staat van Friesland" ca. 1780
Aantekeningen van J. Leemburg uit diverse publicaties
Stinsen en States, Adellijk wonen in Frieslanbd, 1992